ECOLOGISCHE DOORWAADBAARHEID

Het ontwerpen van een natuurinclusieve wijk is één ding. Aantonen dat die wijk ook echt ecologisch functioneert, is iets anders. In Happy Days proberen we precies dat te doen. Door te meten, te observeren en waar nodig onze eigen ontwerpkeuzes kritisch tegen het licht te houden. Samen met ERA Contour, Ecogroen en de bewoners zelf onderzoeken we of de ontwerpprincipes die we hebben toegepast ook daadwerkelijk leiden tot ecologische en sociale meerwaarde. Gedurende twee jaar verschijnt regelmatig een artikel over dit onderzoek op onze website. Met deze keer aandacht voor de ontwerpprincipes die ervoor zorgen dat dierengemakkelijk door de wijk kunnen bewegen.

Happy Days: ecologische doorwaadbaarheid

Een woonwijk die voor mensen open en toegankelijk voelt, kan voor dieren juist vol barrières zitten. Een stoeprand, schutting of parkeerplaats waar wij nauwelijks bij stilstaan, kan voor een klein dier het verschil betekenen tussen een verbonden leefgebied en een verzameling losse eilandjes. In Happy Days onderzoeken we daarom niet alleen welke habitats in de wijk ontstaan, maar ook hoe dieren zich daartussen kunnen bewegen. Want natuurinclusief ontwerpen gaat niet alleen over plekken waar soorten kunnen leven, maar ook over de verbindingen er tussen. Juist die beweging bepaalt of soorten zich kunnen verspreiden, voedsel kunnen vinden en uiteindelijk duurzame populaties kunnen vormen.

In ons vorige artikel stond de teller nog op ruim 160 verschillende soorten. Inmiddels zijn al meer dan 300 soorten waargenomen, waaronder de ijsvogel, een aantal vissoorten en de beschermde rugstreeppad. Dat geeft ons steeds meer informatie om de vraag te onderzoeken: welke ontwerpkeuzes maken een wijk ecologisch doorwaadbaar en welke zorgen juist voorversnippering?

De aaneengesloten groene binnenwereld van Happy Days zorgt ervoor dat soorten vrij kunnen bewegen in de wijk.

De groene binnenwereld

Misschien wel de meest bepalende ontwerpkeuze in Happy Days gaat over de verdeling van het groen. Dit groen is niet verdeeld over losse plantsoenen en plantvakken, maar vormt één aaneengesloten binnenwereld. Dit in tegenstelling tot een meer conventionele woonwijk, waar groenruimte vaak versnippert is als een verzameling eilandjes tussen wegen, parkeerplaatsen, stoepen en private tuinen. Een boom staat in een boomspiegel, een plantvak wordt begrensd door een trottoirband en tussen twee tuinen staat een schutting. Voor een vogel die eroverheen vliegt hoeft dat geen groot probleem te zijn, maar voor soorten die zich over of vlak boven de grond bewegen ziet diezelfde wijk vol barrières.

In Happy Days liggen de verschillende habitats juist direct tegen elkaar aan en gaan geleidelijk in elkaar over. Kruidenrijk grasland gaat over in de tuinen, die weer grenzen aan de boszoom. Daardoor kunnen dieren een groot deel van hun dagelijkse en seizoensgebonden bewegingen maken zonder een rijbaan, hek of hoge stoeprand te hoeven kruisen.

Neem de bruine kikker: hij vindt voedsel in de tuinen, kruipt onder de hagen (schuttingen ontbreken) door naar de struiken in het groengebied om te overwinteren, en zet zijn eitjes af in de vijver. Allemaal zonder één weg, stoeprand of hek te kruisen. Of de egel, inmiddels vier keerwaargenomen, die overwintert in de boszoom en voedsel zoekt in de tuinen. Voor het Icarusblauwtje, met dertien waarnemingen een van de meest waargenomen soorten, gaat doorwaadbaarheid minder over fysieke barrières en meer over de aanwezigheid van een aaneengesloten netwerk van bloem- en kruidenrijke plekken.

Dat laat meteen zien dat ecologische doorwaadbaarheid voor iedere soort iets anders betekent. Waar de egel vooral een opening onder een erfafscheiding nodig heeft, zoekt een vlinder een opeenvolging van geschikte planten en gebruikt een vleermuis juist groene lijnen en waterranden om zich door het landschap te bewegen.

De hagen vormen een netwerk dat de achtertuinen verbindt.

Natuurlijk kan een woonwijk niet zonder infrastructuur. Ook in Happy Days moeten auto’s ergens rijden en parkeren. De keuze om de binnenwereld zo groen mogelijk te houden heeft daarom een consequentie: een groot deel van de infrastructuur is naar de buitenrand van het plan geschoven. Parkeerplaatsen en de ontsluitingsweg vormen daar samen een soort ring rondom de wijk. Ecologisch gezien is dat een interessante afweging. Aan de binnenzijde ontstaat een groot gebied met weinig barrières, maar aan de buitenzijde wordt de overgang naar het omliggende landschap juist harder. Vooral voor soorten die zich over de grond bewegen kan die rand een obstakel zijn. Daar zit een belangrijke ontwerpvraag voor toekomstige projecten: als je infrastructuur bundelt om versnippering binnen een plan te voorkomen, hoe ontwerp je vervolgens voldoende veilige verbindingen door die infrastructuur heen?

De vijver

In ons vorige artikel concludeerden we nog dat het habitat de vijver achter bleef in de ontwikkeling, vermoedelijk door de lange duiker die het waternetwerk aansluit op het omliggende watersysteem. Inmiddels kunnen we dat beeld bijstellen. De waarnemingen van 5 vissoorten (kleine modderkruiper (beschermd), baars, blankvoorn, rietvoorn en zeelt) tonen aan dat de duiker een goede verbinding vormt met het waternetwerk buiten Happy Days.

En eenmaal in de vijver kunnen de vissen zich vrij door het hele waterlichaam bewegen. De vlonders en veranda’s van de woningen zijn boven het water geplaatst en vormen zo geen harde grens. Ook aan de rand van de vijver ontbreken harde beschoeiingen. In plaats van een verticale overgang van land naar water bestaan de oevers uit flauwe taluds. Dat levert niet alleen een veel zachter ruimtelijk beeld op, maar maakt ook ecologisch verschil. Een dier dat vanuit het water het land op wil, treft geen harde wand en langs de oever ontstaat een brede overgangszone van droog naar nat.

In die zone zien we inmiddels allerlei soorten verschijnen, zoals grote waterweegbree, oeverbies en zwanenbloem. Die vegetatie levert op haar beurt structuur voor andere soorten zoals de waterhoen, meerkoet en kleine karekiet. Maar ook insecten profiteren van deze vegetatie. Zo zijn diverse libellen en juffers gespot (14 waarnemingen, 4 soorten). Het groeiende aantal watergebonden insecten past bij het beeld van een watermilieu dat steeds meer structuur en ecologische waarde krijgt. Ook hoger in de voedselketen vinden we bewijs voor een meer ontwikkeld ecosysteem. De blauwe reiger is vier keer waargenomen, de ijsvogel twee keer en ook een aalscholver is gespot. Alle drie zijn het soorten die voor hun voedsel afhankelijk zijn van water en onder andere op vis jagen.

We zien ook ongewenste gasten verschijnen: de rode Amerikaanse rivierkreeft is een invasieve exoot die inmiddels is aangetroffen. Uit onderzoek blijkt gelukkig wel dat deze soort vooral invasief is in gebieden met veel steile oevers. In Happy Days liggen enkel natuurvriendelijke oevers en hier kan deze kreeft minder goed in graven. Hij wordt dan vaker opgegeten doorvijanden zoals de blauwe reiger en meerkoet, die beide aanwezig zijn. We houden deze soort inde toekomst in de gaten om te zien of hij zich verder verspreid in het plangebied.

Van kruidenrijk grasland tot achtertuin

Op een kleiner schaalniveau is de overgang van het kruidenrijke grasland naar de woningen interessant. In veel woonwijken eindigt het openbare groen bij de erfgrens. Daar begint een schutting en daarmee voor veel grondgebonden dieren een barrière. In Happy Days is deze grensveel zachter. De woningen staan los van elkaar in het landschap, de private achtertuin is verder naar achteren geschoven en aan de voorzijde loopt het gemeenschappelijke landschap ver tussen de woningen door.

Waar wel erfafscheidingen nodig zijn, bestaan die grotendeels uit hagen in plaats van dichte schuttingen. Daardoor ontstaan niet alleen doorgangen onder de beplanting, maar ook een heel netwerk aan beschutting. Hier profiteren bijvoorbeeld de egel en de heggenmus van, die in dit netwerk ook voedsel en nest- en schuilplaatsen vinden. Zo wordt een erfafscheiding geen barrière maar een onderdeel van het leefgebied. Doorwaadbaarheid betekent hier dus meer dan alleen een fysiek gat waar een dier doorheen kan. Het gaat ook om voldoende beschutting, voedsel en herkenbare landschappelijke structuren onderweg.

Happy Days als stapsteen in Zoetermeer

Ecologische doorwaadbaarheid stopt natuurlijk niet bij de grens van het projectgebied. Ook de omgeving bepaalt of soorten zich langdurig kunnen vestigen.

De ijsvogel is daarvan een mooi voorbeeld. Hij is inmiddels twee keer bij de vijver gezien, waar hij op vis jaagt. Happy Days biedt voor deze soort geen voor de hand liggende nest locatie, maar dat betekent niet dat de wijk geen onderdeel van zijn leefgebied kan zijn. De vijver is dus een stapsteen binnen een veel groter netwerk van watergangen en groengebieden in Zoetermeer.

Ook voor de rugstreeppad zien we dat Happy Days als een stapsteen fungeert. Voordat de naastgelegen wijk werd gebouwd kwam de soort daar voor. Tijdens de bouw ontstond tijdelijk een geschikt habitat voor de soort, maar naarmate de wijk zich verder ontwikkelde nam dit weer af en verdween de rugstreeppad rond 2023. Rond dezelfde periode werd Happy Days ontwikkeld. Het is aannemelijk dat de soort zich vervolgens naar dit nieuwe, geschikte leefgebied in Happy Days heeft verplaatst.

Elk schaalniveau telt

Wat we uit de eerste waarnemingen leren, is dat ecologische doorwaadbaarheid op meerdere schaalniveaus tegelijk ontworpen moet worden.

Op de schaal van enkele centimeters kan het ontbreken van een harde beschoeiing of een opening onder een haag bepalen of een dier verder kan. Op het niveau van de wijk maakt het verschil of groen uit losse eilandjes bestaat of één samenhangend landschap vormt. En op de schaal van de stad bepaalt de aansluiting op omliggende groen- en waterstructuren of een wijk onderdeel wordt van een groter ecologisch netwerk.

Daarbij moeten we voorzichtig blijven met conclusies. Dat een soort in Happy Days wordt waargenomen betekent niet automatisch dat één specifieke ontwerpkeuze daarvoor verantwoordelijk is. Maar naarmate er meer waarnemingen bijkomen, kunnen we die gegevens steeds beter naast de ruimtelijke kenmerken van het plan leggen. Zo proberen we stap voor stap te achterhalen welke ontwerpprincipes daadwerkelijk bijdragen aan een natuurinclusieve wijk.

In de komende onderzoeksfase gaan we daarom ook dieper in op de harde getallen die uit het ontwerp zelf te halen zijn. Hoeveel vierkante meter groen is werkelijk aaneengesloten? Hoe veel bomen staan er eigenlijk? En hoe scoort de wijk op de veelbesproken 3-30-300 richtlijn?

Wil je in de tussentijd zelf bekijken wat er allemaal in Happy Days wordt waargenomen? Alle waarnemingen zijn te volgen via de Bioblitz van Happy Days op Waarneming.nl:

https://waarneming.nl/bioblitz/18924/bioblitz-happy-days-zoetermeer

Een selectie uit de meer dan 300 soorten die waargenomen zijn, waaronder de rugstreeppad. Foto’s ingestuurd via Bioblitz door bewoners en omwonenden.