Stedenbouwkundig ontwerpers zijn essentieel voor een weerbare samenleving, maar waar zijn ze?
- Artikel
- Kennis
Door de historie van het stedenbouwkundig ontwerponderwijs vanaf 1843 (oprichting Delftse Akademie) tot nu te bestuderen, hoop ik verklaringen te vinden voor de ondermijning, de verschuiving en de veranderende positionering van het stedenbouwkundig ontwerp. Maar ook om geïnspireerd te raken. Die geschiedenis loopt parallel aan maatschappelijke en politieke omwentelingen die ook zijn weerslag hebben gehad op onze bouwcultuur.
Ik probeer me voor te stellen hoe het is gegaan. De gesprekken in 1897 tussen de kunstenaar Jan Toorop en aankomend architectuur student Marinus Grandpré Molière over het studententijdschrift ‘In den Nevel’. De editie geïllustreerd met een prachtig fresco van Toorop voorop. De enigszins bedwelmende tekening roept bij mij een associatie op van aan de ene kan het in de nevel gehulde misstanden in de fabrieken en industrie in Nederland, waar in 1890 en 1894 parlementaire enquêtes zijn gevoerd. Aan de andere kant suggereert het een mist die optrekt waaruit potentieel iets moois verschijnt.
Studenten aan de polytechnische hogeschool verenigden zich in ‘De Roode Delft’. Het belang van schone, veilige, gezonde en goed bereikbare steden benadrukken ze in diverse publicaties en protesten. Ze deden regelmatig oproepen aan Delftse professoren en aan het kabinet om de discipline ‘stadsaanleg’ meer aandacht te geven en een plek te geven in het Delftse architectuur onderwijs. De oorsprong van de stedenbouwkundige discipline was een noodkreet uit de samenleving en werd gehoord door een nieuwe generatie.

De positie van de stedenbouwkundige
Vandaag de dag is de noodkreet uit de samenleving luider dan ooit. De samenleving individualiseert en polariseert. Daarbij vinden alle grote klimatologische, ecologische en economische transitieopgaven voor een groot deel plaats in stedelijke gebieden. Maar het lukt de stedenbouwkundige ontwerpdiscipline niet om in te zetten op verdere verdieping en te blijven innoveren binnen de integratie van deze thema’s richting inclusieve ontwerpprincipes en de stad te hechten. Wij, stedenhouwkundig ontwerpers, ontwerpen door de schaalniveaus heen, richting een betrokken en weerbare samenleving. Als de maatschappelijke aard van ons vak niet ingebed kan worden in een tijd van grote transities, wordt het marktbelang leidend. De economische positie van gebieden en mensen worden sturend en segregatie wordt mogelijk versterkt.
Deze tijd vraagt daarom om stedenbouwkundigen! Maar onze positie wordt steeds vaker ondermijnd. Of erger nog: we ondermijnen onszelf. We laten onze stem niet horen in de samenleving, we nemen een rol als plan-toetser voor lief en binnen het onderwijs verbreedt de stedenbouwkunde richting planologie en strategie. En dat terwijl dat een andere discipline is. Hierdoor wordt ons vak steeds diffuser en breder gepositioneerd en komt het wezen van onze samenleving-ordenende ontwerpdiscipline niet tot de kern.
”Het onderwijs verbreedt de stedenbouwkunde richting planologie en strategie. En dat terwijl dat een andere discipline is”
Door stedenbouwkundig ontwerp krachtig in te zetten als een kwalitatief sturingsmiddel, kunnen we stedelijke gebieden maken die (financieel) toegankelijk zijn voor iedereen. Het is een programmatisch en democratisch instrument dat zorgt voor sociale samenhang en kwaliteit in de stedelijke context. Gebieden waar mensen zich aan elkaar kunnen optrekken en waar men weer naar elkaar omkijkt.
Landschapsarchitecten claimen de stedelijke buitenruimte
Ik zie nu dat Nederland wordt ingericht langs tenders voor losse buurten en districten. Uitvragen waarin wordt gevraagd om combinaties van architecten en landschapsarchitecten. De stedenbouwkundige discipline wordt veelal niet vereist. Het resultaat is een vanuit gebouwstructuur, esthetiek en efficiëntie beredeneerde stedenbouw. Het ontwerp van de stedelijke buitenruimte wordt geclaimd door landschapsarchitecten. Dit vertaalt zich nog weleens in ‘over-design’ en ‘radicale vergroening als doel op zich’.
Deze postzegelplannen zijn spektakelstukjes op zichzelf, maar niet altijd voldoende verankerd in een grotere sociale context en in duurzame stedelijke systemen. Stedenbouwkundig ontwerpers zitten wel in deze projecten, maar vaker aan de opdracht gevende zijde in een team van juristen, planologen, planeconomen en beleidsadviseurs. We scheppen hierbij de best mogelijke randvoorwaarden voor té globale stedelijke raamwerken. De postzegelplannen kunnen hier dan met de nodige supervisie in aarden. Hierdoor zijn we meer opgeschoven naar strategisch denken over stedelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening.
Het domein van de stedenbouwkundig ontwerper
Ik geloof dat de essentie van leven en samenleven zich afspeelt in de tussenruimte van de stad. Dit is bij uitstek het domein van de stedenbouwkundig ontwerper. Steden, dorpen en gehuchten zijn door de mens gecreëerde omgevingen en samenlevingen. Hierin komt onze gemeenschappelijke cultuur het meest tot uiting en is de relatie tussen mensen onderling en de relatie met de omgeving en de natuur het scherpst gesteld. Het is prachtig om te beseffen dat dit weefsel door de tijdslagen heen is ontstaan en dat ontwerpprincipes hebben overleefd die het meest weerbaar zijn gebleken. Die stad moet worden gezien vanuit het hechtende en open weefsel van ruimte: het straatleven.
”Ik geloof dat de essentie van leven en samenleven zich afspeelt in de tussenruimte van de stad. Dit is bij uitstek het domein van de stedenbouwkundig ontwerper”
In mijn optiek dienen stedenbouwkundig ontwerpers zich sterker te maken voor het publieke, semipublieke en collectieve gebruik van binnen- en buitenruimte. Wij moeten meer gaan staan voor het ontwerp van flexibele en multifunctionele buitenruimte die mensen kunnen toe-eigenen. Ook moeten we zorgvuldiger aandacht geven aan de overgangen tussen binnen en buiten en de maatschappelijke programmering van gebouwen en buitenruimtes.
In de ideale situatie ontwikkelen stedenbouwkundig ontwerpers het narratief voor een buurt, een stuk stad of een stedelijke structuur. Vervolgens genereren zij de inclusieve ontwerpprincipes hoe dit narratief zich kan hechten aan het grotere stedelijke landschap. Deze principes borgen mede het sociaaleconomische ecosysteem dat bijvoorbeeld ontmoeting, verenigingsleven, collectieve geborgenheid, stedelijk experiment, gezonde beweging, ondernemerslust en buurtactivatie stimuleert en ruimte geeft. Een goed stedenbouwkundig ontwerp is niet een invuloefening van het bestaande, maar een basis voor de toekomst van de maatschappij en het samen leven.