Robbert Jan van der Veen: ‘Stedenbouwkundige plannen zijn niet complexer dan voorheen’

  • Artikel
  • Kennis

Robbert Jan van der Veen studeerde af als stedenbouwkundige aan de TU Delft. Hij richtte het stedenbouwkundige bureau plein06 op, waarmee hij werkte aan projecten als ZOHO in Rotterdam en de Esplanade in Almere. In 2020 werd plein06 hernoemd tot ECHO Urban Design, waar Van der Veen partner en creatief directeur is.

Van der Veen ziet binnen huidige stedenbouwkundige thema’s een verschuiving van prioritering. ‘In de naoorlogse stad was een veilige en efficiënte verkeersafwikkeling belangrijk. Nu zijn dat sociale en ecologische thema’s. Als zulke thema’s dwingender worden, betekent het niet dat andere onderwerpen minder relevant zijn. Dat vraagt om een herschikking.’

Worden stedenbouwkundige plannen te complex?

‘Stedenbouwkundige plannen zijn niet complexer dan voorheen. Doordat er verschillende transities plaatsvinden, lijkt er veel bij elkaar te komen dat in ondergrond, bovengrond en gebouwen moet worden opgelost. Maar dit is niet nieuw. Bij grote omwentelingen en revoluties door de eeuwen heen kregen steden ook te maken met transities op industrieel, ecologisch, sociaal, verkeerskundig en economisch vlak.

‘Wel is het zo dat de grenzen van veel Nederlandse steden zijn bereikt en we het open landschap niet meer kunnen − en mogen − aantasten. Dit betekent meer verdichting. Een complexe ontwikkeling, maar die is niet anders dan de compacte steden van duizenden jaren geleden. Romeinse en Griekse steden hadden ingenieuze watersystemen, flexibele (semi-)publieke ruimten, diverse gebouwtypologieën en een adaptieve stadsplattegrond die verdere verdichting kon borgen door een goede maatvoering en helder stratenstelsel.’

Een goed stedenbouwkundig plan is een flexibel plan?

‘Een goed stedenbouwkundig plan is maatwerk, contextgevoelig en een politiek instrument. Het detailniveau kan per schaalniveau verschillen. Ik zie plannen waar de gebouwmaten en -massa’s exact zijn gedefinieerd, de stijl van de gevel dwingend wordt opgelegd en de openbare ruimte al is uitgewerkt. Aan de andere kant zijn er stedenbouwkundige plannen die veel openlaten door enkel bouwvelden aan te geven waarbinnen het gebouw mag worden gepositioneerd. Hoeveel vrijheid er wordt gegeven is een politieke keuze.’

”Vroeger konden we bij nieuwe stadsaanleg robuuste groenstructuren inweven. Nu moeten we zoeken in het bestaande stedelijk weefsel”

Voor welke uitdaging staat stedenbouw nu?

‘Groen moet in elk plan een plek krijgen. Dat zorgt voor een stadsbeeld met gelijkmatig verdeeld en versnipperd groen. Vroeger konden we bij nieuwe stadsaanleg robuuste groenstructuren en duidelijke verkeerssystemen inweven. Nu moeten we zoeken in het bestaande stedelijk weefsel. We komen uit bij het transformeren van bedrijventerreinen, havenbekkens en oude rangeerterreinen. Door de liberalisering van de markt ligt deze uitdaging bij ontwikkelende bouwers met winstoogmerk.’

Het private belang domineert het publieke belang van stedenbouw?

‘De overheid heeft het stedenbouwkundig ontwerp op veel plekken losgelaten. Gemeenten maken omgevingsvisies en ontwikkelkaders en de markt vult die in met “buurten”. Daardoor blijven stedenbouwkundige postzegels over. Daarnaast leidt de marktdruk ertoe dat een typologische opzet overeind blijft: veelal een doorlopende sociaal-groene buitenruimte op buurtniveau, de infrastructuur rondom met een mobility hub voor de buurt en een aantal middelhoge woonblokken in het groen.’ 

”De overheid moet meer aandacht hebben voor een zorgvuldig ontwerp dat verschillende schalen met elkaar verbindt”

‘Het gevolg: een versplintering van het stedelijk landschap. Terwijl juist in een verdichtende stad grip op de details die voor samenhang en leesbaarheid van de stad zorgen cruciaal is. Daarom zou de overheid meer aandacht moeten hebben voor een zorgvuldig ontwerp dat verschillende schalen met elkaar verbindt en goede overgangen tussen gebouw en buitenruimte mogelijk maakt.

‘Daarnaast zou het goed zijn dat architectenbureaus een grotere verantwoordelijkheid krijgen als bouwvrouw en -heer. Zij sturen en contracteren dan (onder)aannemers, net zoals dat nu in bijvoorbeeld België, Duitsland en Zwitserland gebeurt, zodat zij regie houden op ontwerp, kwaliteit én realisatie.’

Betaalbaarheid en het woningtekort spelen een grote rol in de discussie over architectonische kwaliteit. Hoe verhouden die thema’s zich tot stedenbouw?

‘Hoge kosten voor de bouw en levensonderhoud bemoeilijken de gebieds- en projectontwikkeling, terwijl zoveel mensen een betaalbare woning nodig hebben. Zowel aan de gemeentelijke als marktzijde zie ik een sterke sturing op betaalbaarheid en haalbaarheid. Net zoals in de jaren twintig-dertig en tachtig van de vorige eeuw. Juist deze periodes dwingen tot innovatie, standaardisatie en efficiëntie, maar de kans tot verarming van de ruimtelijke kwaliteit bestaat ook. Bijvoorbeeld door (fabrieksmatige) standaardproducten.

‘In sommige gevallen doet deze efficiëntie recht aan de snelheid van bouwen, hogere duurzaamheidsdoelstellingen en betaalbaarheid. Maar als er weinig keuze is in gebouwtypologie en woningbouwplattegrond, dan worden kwalitatieve kansen gemist, vooral op het grensvlak tussen gebouw en buitenruimte. Hier zou de overheid een sterkere regie op moeten voeren.’